maandag 20 februari 2012

Johan de Boose werkt aan een nieuwe roman en zal hier geregeld verslag uitbrengen van het verloop daarvan. Op dit moment doet hij research in Kroatië, Albanië, Turkije en Italië.

maandag 30 januari 2012

woensdag 11 januari 2012

DE ZUURMUIL (klein essay)

Het is de tijd van de zuurmuil. Je komt hem overal tegen, bij voorkeur in villaparken, restaurants, televisieshows, cabriolets en luxebordelen. Hij haarklooft en kapittelt, hij hakt en hekelt, het is altijd te heet of te koud, en het liefst hardebolt hij tegen het lot. Het is altijd vet in andermans schotel. De zuurmuil verwijt de wind dat hij waait, de maan dat ze schijnt, het gras dat het tussen de tegels groeit, de liefde dat ze morst, de ziel dat ze met de jaren zwaarder weegt. De bolworm steekt hem.

De zuurmuil is ook een addertong. Hij solt en smaadt, hij schandmerkt en doodverft, hij schuimbekt en duvelt. Het ligt altijd aan de schaatsen, nooit aan de man. Hij heeft een gezicht van oude lappen. Hij is een hemdje-raak-mijn gatje-niet. Zijn kompas is verdraaid.

De zuurmuil en de addertong bevolken scholen, kantoren, parlementen, bejaardenhuizen, omroepen, supermarkten, rechtse columns, linkse columns, zwembaden en exprestreinen. Hoe dichter de bevolking en hoe groter de welvaart zijn, hoe meer zuurmuilen en addertongen er opduiken. Zuurmuil en welvaart zijn communicerende vaten. Het mensenkind is niet geschapen voor geluk. Hij is de zeikpaal, de bultzak, de risee. Het bestaan is vol smaad en kommer, krabben en bijten. Als krijgsdienst.

De zuurmuil alias de addertong is bovendien blohartig. Hij druipstaart. Houdt van haasvreten. Lijdt aan het afgrondsgevoel. Voelt zich gelapzalfd en vernikkeld, bekocht en gehoornd. Is het zelfverklaarde slachtoffer van verneukeratieve ramsj.

Hij spaart en vergaart, scharrelt, bost en tast erop los, maar weeklaagt tegelijk dat hij de koorden van de beurs niet in handen heeft en dat hij de bedelbrok van het halfrond is. Men perst, mergelt en zuigt hem uit, tapt hem het bloed af en trekt hem het haar uit zijn kale kruin.

Addertong alias bedelbrok verzwijgt graag dat zijn ware naam Cresus is, dat er altijd nog wel een kabeljauw onderdoor kan, en dat hij zelfs een hele spekkoper is, een bodemloos vat. ’s Nachts schrikt hij wakker, badend in de tranen, omdat hij later geen nagel zal hebben om zijn gat te krabben.

Hij zegt: ‘Gouden teugels maken een paard niet beter.’

Cresus alias Gatkrabber wordt overstelpt met giften, maar hij beweert dat niemand hem iets gunt, en wanneer hij dan toch iets toegestopt krijgt, kan het volgens hem niets anders zijn dan een vergiftigde gift. Niks liefdegave. Een nessushemd, ja.

Hij zegt dat de wereld kromme vingers heeft en dat iedereen hem rolt. Indien het toch niet zo blijkt te zijn (hij vergist zich graag), staat er alvast op elke hoek een Oost-Europeaan klaar om hem in zijn kont te naaien. De natuur, meneer, bestaat uit verslinders en verslondenen: natura devorans en natura devorata, en hij behoort wis en zeker tot het kamp der gepaalden.

Omdat hij zijn toppers kent, zegt hij: ‘Je kunt iedereen vertrouwen of je kunt niemand vertrouwen, wat doet het ertoe, het is allebei klote. Het eerste is een achtenswaardige flater, het tweede is veiliger.’

En hij bevingert zijn deel, waar de kou van duizend doden in zit.

Daarna likt hij zijn zweren schoon.

Voor de zuurmuil sterft, voor hij geheel in knekelpiet verandert, zegt hij dat hij steeds zulke grote verwachtingen heeft gekoesterd, maar dat er niks van terecht is gekomen, en dat het leven na de dood ook wel niet zal zijn wat men hem heeft voorgetoverd.

Op zijn grafsteen laat hij Seneca’s leerspreuk etsen: Ach, hoe goed zou het menigeen doen er eens uit te zijn: niet uit zijn omgeving, maar uit zichzelf.

© Johan de Boose

(in opdracht van De Standaard, 26/12/2011)

zondag 11 september 2011

Wijsheden van Marguérite Yourcenar

Wie zou zo dwaas zijn te sterven zonder althans zijn gevangenis te hebben verkend?

vrijdag 26 augustus 2011

Stasiuk over Albanië

Andrzej Stasiuk over Albanië: 'Ja, iedereen zou daarheen moeten. Of tenminste de mensen die de naam "Europa" gebruiken. Het zou een initiatierite moeten zijn, aangezien Albanië het onderbewuste van dit continent is. Ja, Albanië, het Europese "Es", het is de angst die 's nachts het slapende Parijs, Londen en Frankfurt am Main bezoekt. Het is de donkere put, in de diepte waarvan diegenen een blik zouden moeten werpen die vinden dat de loop der dingen voor en voor altijd vast ligt.'

donderdag 25 augustus 2011

Citaat van Andrzej Stasiuk

‘Ja, het is alleen de angst, de zoektochten, de sporen, de verhalen die de onbereikbare lijn van de horizon moeten afschermen. Opnieuw is het nacht en alles verwijdert zich, verdwijnt, bedekt door een zwarte hemel. Ik ben alleen en ik moet me gebeurtenissen in gedachten roepen, omdat de angst voor de oneindigheid mij overvalt. De ziel lost als een druppel in de diepte van de oceaan op in de ruimte en ik ben te laf om daarin te geloven, te oud om me bij het verlies neer te leggen en ik geloof dat alleen het zichtbare vertroosting kan bieden, dat alleen in het lichaam van de wereld mijn lichaam bescherming zal vinden. Ik zou begraven willen worden in al die plaatsen waar ik ben geweest en waar ik nog zal komen.’ Andrzej Stasiuk

Emil Cioran in Geschiedenis en utopie

‘Ik wil de Balkanvolkeren niet verdedigen, maar ik wil ook hun verdiensten niet verzwijgen. Die verheerlijking van de verwoesting, van de innerlijke wanorde, van een wereld die veel weg heeft van een bordeel in vlammen, die sardonische blik op volbrachte of toekomstige cataclysmen, die zuurheid, dat zalige nietsdoen van aan slapeloosheid lijdende mensen of moordenaars. De enige primitieven in Europa geven haar misschien een prikkel en zij zal dat onmiskenbaar opvatten als een ultieme vernedering. Want als het zuidoosten uitsluitend monstruositeit zou zijn, waarom krijg je dan bij het verlaten ervan en het hierheen richten van je schreden het gevoel van een, zij het heerlijke, val in het luchtledige.’ Emil Cioran in Geschiedenis en utopie.

Blogarchief