donderdag 25 augustus 2011
Uit: Spottende verlangens van Drago Jancar
‘Hij voorvoelde en wist het tegelijkertijd: hier is het echte vaderland van de melancholische, spottende demonen. Hier te midden van de alpendalen en nog wat verderop, op de laagvlakte van Pannonië. Ze zitten in de wind en in de lucht, je kunt je er niet voor verstoppen. Ze zitten in de meren en tussen de heuvels, in de boomkruinen en in de veenmoerassen, in de rotsachtige bergen, ze zitten in dorpskroegen en op de op zondag verlaten straten van de stad, in de kinderen, in de echtgenoten en in de oude mannen. Hier is iedereen doordrenkt van de dood. Hier heeft de dood de gedaante van een mooi landschap, soms is hij herfstachtig en kil, soms lenteachtig en warm. In de herfst is hij gotisch, in de lente barok. Als kerken door het hele land verspreid, zo dicht op elkaar als graven. Hier houden de mensen van met bloemen, kaarsen en engelen versierde graven. Op zondagmiddag, als door de straten van de ontvolkte steden vreemdelingen of hier voorgoed gevestigde nieuwkomers zich verbazend over de leegte van de straten slenteren, op zo’n zondagmiddag misstaat de gedachte niet aan een man die op de derde verdieping, waar alle ramen gesloten zijn, een raam openzet en zich met een touw om zijn nek naar beneden stort.’ Drago Jancar, Spottende verlangens (Sloveense novelle uit 1993)
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen